Tuitbeker of gewone beker....?

 

"Mag mijn kind uit een tuitbeker drinken?"

"Moeten we gewone bekers adviseren?"

"Als we alle kinderen uit een gewone beker laten drinken, wordt het een grote knoeiboel!"

"Een tuitbeker is heel slecht voor de mondmotoriek"

Allemaal vragen en reacties die regelmatig worden gesteld door ouders, hulpverleners of groepsleiding van een dagverblijf. Hieronder worden een aantal bekers beschreven met de voor- en nadelen.

In het verleden werden tuitbekers afgeraden, omdat dit een sterk nadelige invloed zou hebben op de vorming van de kaak en gebit en de motoriek van de tong. Tandbederf kan zeker ontstaan bij kinderen, die de hele dag met een tuitbeker (of fles) lopen en ook het naar buiten komen van de tong bij slikken en praten (slissen) kan door langdurig gebruik veroorzaakt worden. In het algemeen geldt dus als advies: niet de hele dag door met een beker (of fles) laten lopen en variatie in bekers aanbieden.

 

Wat kan je gebruiken?

Vanaf de leeftijd van 9 tot 10 maanden kunnen kinderen enkele slokjes uit een gewone beker drinken. Ze kunnen dat nog niet zelf en meestal zal er nog veel geknoeid worden. Het gaat dan niet om grote hoeveelheden, maar om een paar slokjes om het te leren. Met zo'n beker leren kinderen direct dat ze op tijd hun mond moeten sluiten als er wat vloeistof in de mond is gekomen en ze kunnen niet sabbelen aan de beker.

 

 

Deze gewone tuitbeker heeft drie gaatjes in het tuitje, waardoor de vloeistof meestal snel uit het tuitje loopt. Kinderen hoeven hier niet aan te zuigen, maar de vloeistof loopt meestal zo in hun mond. Doordat er geen antilek in het tuitje zit, kan het drinken er wel zo uitlopen.

Meestal sabbelen kinderen een beetje aan deze beker. Als dit gepaard gaat met het naar buiten komen van de tong over de onderlip (onder het tuitje) is het niet zo verstandig deze beker te gebruiken.

 

Tegenwoordig wordt er vaak gebruik gemaakt van een anti-lekbeker. Dit is één van de vele modellen die verkrijgbaar zijn. Onder het tuitje zit meestal een dopje, waardoor er een vacuüm ontstaat en er geen vloeistof uit het tuitje komt als er niet aan gezogen wordt. Bij sommige bekers moet er erg hard gezogen worden en niet alle kinderen hebben dat direct in de gaten. Ook voor dit tuitje geldt dat als de tong steeds onder het tuitje voorbij de lippen komt, het niet verstandig is om deze beker veel aan te bieden.

 

Tussen het eerste en tweede levensjaar leren de meeste kinderen uit een rietje drinken (zie ook Normale ontwikkeling). Er zijn allerlei bekers in de handel met een deksel waardoor een rietje zit. Meestal kunnen de bekers afgesloten worden.

 

Deze beker (Heidibeker) kan gebruikt worden bij kinderen (of volwassenen) die zelfstandig kunnen en willen drinken, maar door bijvoorbeeld een slechte handfunctie te veel tegelijk binnen krijgen. In het deksel (zie onder) zitten twee kleine gaatjes die dat voorkomen.
Bovenkant van de Heidibeker met 2 gaatjes.

 

Deze beker met neusuitsparing wordt vaak gebruikt bij kinderen met een handicap. Het voordeel van deze beker is de brede rand, waar de lippen gemakkelijk tegen aan gelegd kunnen worden. De neusuitsparing kan op twee manieren behulpzaam zijn bij het drinken. Ten eerste kan het voor degene die drinken geeft gemakkelijker zijn om te zien hoeveel vocht er tegelijk in de mond wordt gebracht. Ten tweede is het niet nodig dat het kind voor de laatste paar slokken zijn hoofd ver naar achter buigt. Het kind kan gewoon recht op blijven zitten. Dit verkleint de kans op verslikken en voor kinderen met een slechte hoofd- of rompbalans is dat gemakkelijker.

sinds eind 2005 in de handel

 

Beker met grote handvaten van www.able2.nl

Voor sommige kinderen met een handicap is het lastig om een beker (zoals de beker met neusuitsparing) zelf vast te houden. Er zijn bekers met grote handvaten te koop, zie website hulpmiddelen).

 

 

home