Deze tekst is een bewerking van een artikel dat eerder in Down + Up heeft gestaan (1999), het blad van de Stichting Down’s Syndroom (website van de Stichting Down's syndroom)
Bij kinderen met Down’s syndroom zijn
er gedurende het eerste levensjaar een aantal aspecten die aandacht
verdienen. Leren eten en drinken is er één van. Sommige
kinderen hebben daar geen problemen mee en nemen alle stapjes in die
ontwikkeling gemakkelijk. Andere kinderen hebben veel hulp nodig bij
het drinken, het leren eten van de lepel of het leren kauwen. |
Ontwikkeling
van drinken en eten |
|
Borst- of flesvoeding
Het zuigen uit de borst of uit de fles wordt aanvankelijk bepaald door de reflexactiviteit en een goed ritme tussen zuigen, slikken en ademhalen. Wanneer en waarom treden daar problemen bij op?
|
Lepelvoeding Voor het eten van een lepel is willekeurige motoriek nodig: bijvoorbeeld zelf bewust je mond open kunnen doen. Bij kinderen met Down syndroom zien we bij deze activiteit twee problemen: 1. Het bewust openen van de mond geeft problemen, waarbij we vooral sabbelende bewegingen zien. Mogelijkheden voor logopedische
begeleiding zijn:
2. Bij lepelvoeding komt de tong ver naar buiten, waardoor er veel geknoeid wordt. In mijn werk merk ik vaak, dat
ouders van kinderen met Down syndroom zich erg bezorgd maken over de motoriek
en grootte van de tong. Belangrijk daarbij is om te weten, dat de verhouding
mondholte-tong nogal verandert in de eerste jaren. Door de lage spierspanning
in het mondgebied, maar vooral door de weinig gevarieerde motoriek van
de tong (voornamelijk voor-achterwaartse bewegingen) komt de tong vaak
naar buiten. Het geven van lepeldruk of het geven van mondcontrole heeft
bij een aantal kinderen niet het gewenste effect en kinderen weren dit
sterk af, wat een negatieve invloed heeft op de eetsituatie. Andere mogelijkheden: |
Kauwen
Wanneer vast voedsel in de mond gebracht wordt, duwen ze het met de tong tegen het gehemelte of wordt het direct naar achteren gebracht. Hierdoor wordt de beschermende werking van de kokhalsreflex actief en gaan ze kokhalzen. Andere kinderen verslikken zich. Het effect van zo'n ervaring is, dat het kind vast voedsel gaat weigeren en dat ouders bang zijn om het nog eens te proberen. Zo mist het kind ervaringen in het mondgebied (smaak, verschillende substanties, warm of koud), die zo belangrijk zijn bij het wennen aan vast voedsel. Tussen de 8 en 12 maanden kan het best gestart worden met het kauwen van vast voedsel. Mogelijkheden bij logopedische begeleiding zijn dan: 1. Kleine stukjes koek die snel zacht worden aan de zijkant (tussen de kaken of in de wangzak) in de mond brengen. Hiermee wordt de eerste stap van het kauwproces (nl. het naar de zijkanten brengen van het voedsel met de tong) overgeslagen. Je oefent eerst alleen het kauwen. Wissel af tussen links en rechts. Als dit een aantal weken geoefend is, kan overgegaan worden op het aanbieden van voedsel in het midden van de mond.
|
Drinken uit een beker
In het eerste levensjaar kan het drinken uit een beker vooral gezien worden als oefening en nog niet als volledige vervanging van het drinken uit de fles. Zelfstandigheid en de ontwikkeling van de hand- en armmotoriek (b.v. het zelf vasthouden van de beker) is ook heel belangrijk! Enkele adviezen voor het leren drinken uit een beker: 1. Let op de houding bij het aanbieden van drinken uit een beker. Hierbij geldt hetzelfde als bij lepelvoeding: vraag geen twee moeilijke motorische activiteiten tegelijk van het kind.
4. Het leren drinken uit een rietje kan een welkome afwisseling zijn op het drinken uit een gewone beker. Afhankelijk van de motorische "handigheid" (denk hierbij aan de monddyspraxie of motor impersistence) kunnen kinderen met Down's syndroom dit leren tussen de 1 en 3 jaar. Een kogelrietje of een kort afgeknipt rietje kan hierbij helpen. 5. In het verleden werd het drinken uit een tuitbeker sterk afgeraden. Inmiddels weten we dat dit niet altijd nodig is. Bij het drinken uit een tuitbeker is het vooral belangrijk om te kijken naar de bewegingen van de tong bij zuigen en slikken: als de tong gedurende het drinken in de mond blijft is een tuitbeker een goede afwisseling met het drinken uit een gewone beker (zie ook Tuitbeker of gewone beker?). Ook het zelfstandig drinken wordt hiermee vaak gemakkelijker gemaakt, wat eveneens een belangrijke ontwikkeling is. |
Het herkennen en behandelen van problemen rond de voeding bij kinderen met Down's syndroom wordt steeds vaker een onderdeel van de begeleiding. De ervaring is dat begeleiding gedurende het eerste levensjaar soms problemen op latere leeftijd kan voorkomen. Belangrijk daarbij is om te bedenken dat eten en drinken steeds zo veel mogelijk een prettige ervaring moet zijn.
| home |