Problemen in de ontwikkeling van eten en drinken

Preverbale logopedie wordt gegeven bij kinderen die problemen hebben met het leren eten en drinken. Soms zijn lichamelijke en/of medische problemen de oorzaak van het niet goed eten of drinken. De verwijzing naar preverbale logopedie gaat altijd via een arts, omdat het belangrijk is eerst eventueel onderliggende problemen in kaart te brengen.

In de loop van het eerste levensjaar leert een kind allerlei verschillende substanties eten en drinken: dun vloeibaar (melk), dik vloeibaar (pap en glad gemalen groente of fruit), vast voedsel (zoals stukjes groente, fruit, koekjes en brood) en samengesteld voedsel (zoals de potjes voeding met stukjes er in, yoghurt met fruit of gerechten zoals pasta met groente en/of vlees, rijst met groente en een saus). Vooral deze laatste substanties zijn niet altijd gemakkelijk voor kinderen (zie ook bij Eten van de lepel, hieronder)

Kijk voor begeleiding van verschillende problemen ook bij Preverbale logopedie bij kinderen met Down’s syndroom

Problemen bij het drinken uit de borst

Hoewel vanaf de geboorte alle reflexen in het mondgebied aanwezig zijn, hebben veel pasgeboren zuigelingen een aantal dagen nodig om het drinken goed te leren. De verloskundige, de kraamhulp of verpleegkundige in het ziekenhuis zijn bijna altijd in staat deze start goed te begeleiden. Ook mensen van de VBN (Vereniging Borstvoeding Natuurlijk) of LLL (La Leche League) kunnen vragen rondom borstvoeding beantwoorden (Links). Daarnaast zijn er lactatiekundigen die kunnen helpen bij goed aanleggen, pijnklachten bij het voeden, terugkerende borstontstekingen of onvoldoende melkproductie.

Preverbale logopedie wordt ingeschakeld als een zuigeling vanwege motorische problemen (bijvoorbeeld lage spierspanning bij kinderen met Down syndroom), anatomische problemen (bijvoorbeeld bij een gespleten gehemelte) of bij problemen met de coördinatie tussen zuigen, slikken en ademhalen niet uit de borst kan drinken.

De preverbaal logopedist zal dan (indien nodig in overleg met de lactatiekundige) kijken naar de houding van de zuigeling en de mogelijkheden om het mondgebied te ondersteunen. Ook kan het mogelijk zijn dat eerst het zuigen, slikken en ademen geoefend moet worden. Dit gebeurt met behulp van ‘therapeutisch’ vingervoeden.

Joost fingerfeedingOLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bij therapeutisch vingervoeden zuigt de baby op de vinger van degene die hem voeding geeft. Als de baby goed zuigt wordt er voorzichtig met behulp van een spuitje en een zacht tuitje voeding (maximaal 0,1 of 0,2 ml) in de mond gespoten. Als de baby heeft geslikt, wordt het zuigen weer gestimuleerd. Op deze wijze wordt zuigen en slikken heel gedoseerd aangeboden en kan de zuigeling het met ademen combineren.

Problemen bij het drinken uit de fles

Ook bij het drinken uit de fles heeft een zuigeling soms een paar dagen nodig om dit goed te leren. Er zijn echter ook kinderen waarbij het drinken moeilijk blijft gaan: niet goed zuigen, moeite om de speen te pakken, snel vermoeid raken, vaak verslikken of kokhalzen.

Het kan zijn dat de huisarts of kinderarts beslist om preverbale logopedie in te schakelen. De logopedist zal dan in eerste instantie een onderzoek doen naar de reflexen in het mondgebied, de kracht van het zuigen, de zuigreeksen die het kind maakt en de mogelijkheden om zuigen, slikken en ademen goed te combineren. Afhankelijk van het probleem zal de logopedist adviezen geven over een andere houding, een andere speen of een andere manier van aanbieden. Soms zal de zuigeling bij het drinken geholpen moeten worden door de mond te ondersteunen:

mondondersteuning 2

 

 

 

 

Soms drinken kinderen in de eerste maanden wel goed (reflexmatig), maar krijgen bij de overgang naar willekeurig zuigen problemen. Ze willen dan wel drinken, maar hebben moeite om het zuigen te starten. Ze schudden dan soms met hun hoofd heen en weer, wat kan lijken op “niet willen”. Deze kinderen weten niet meer hoe ze moeten starten en zijn als het ware op zoek naar de zuigbeweging. Ook daar kan de preverbaal logopedist bij helpen.

Als er problemen zijn met het drinken uit de fles wordt er vaak gekeken naar een andere speen. Het is dan belangrijk om te weten welke verschillen er zijn en wat de voor- en nadelen zijn.

Klik hier voor: Welke spenen zijn er en wat zijn de verschillen?

Problemen bij het eten met de lepel

Rond de leeftijd van 6 maanden wordt meestal gestart met het eten van de lepel. Alle kinderen moeten daar aan wennen: het is een andere manier van eten en er worden andere smaken aangeboden. Als een kind veel moeite heeft om aan een smaak te wennen is het handig om één smaak te kiezen en die een aantal dagen achter elkaar te geven. Daarna kun je overstappen op een andere smaak.

Kinderen die voor het eerst van een lepel gaan eten blijven soms veel en langdurig zuigen en sabbelen op de lepel. Hun tong komt daarbij tussen de lippen door naar buiten, waardoor het lijkt alsof ze het eten niet lekker vinden. Dat is niet zo! Ze moeten nog leren om de mond goed open te doen als ze de lepel aan zien komen. En vooral moeten ze leren om met hun tong het eten naar achter in de mond brengen. Het kan wel 5 tot 7 weken duren voor kinderen dat goed kunnen.

Er zijn ook kinderen die het lastig vinden om heel dikke substanties (zoals gepureerde groente met aardappel) te eten. Omdat ze er niet op behoeven te kauwen, proberen ze het in één keer door te slikken. Het is daar echter vaak te stevig voor en kokhalzen is het gevolg. Het eten kan dan beter wat dunner gemaakt worden (met melk).

Sommige kinderen hebben veel moeite met het eten van dik vloeibare voeding met stukjes er in. Ze gaan kokhalzen, omdat ze het (zonder te kauwen) in één keer weg willen slikken. Deze kinderen kunnen beter eerst leren kauwen (door ze losse stukjes brood of groente/fruit te geven). Als ze dat goed kunnen, zijn ze ook in staat samengestelde substanties te eten.

Kinderen met motorische problemen of een achterstand in de ontwikkeling hebben soms meer moeite met het leren eten van de lepel. De preverbaal logopedist kan dan helpen om voor het kind een goede houding, een goede lepel en de juiste manier van aanbieden te vinden. Soms is het nodig om een extra plat lepeltje te gebruiken:

platte lepels

te verkrijgen via o.a. Website van firma Sigma  of  www.able2.nl

Problemen bij het kauwen

Tussen de 7 en 8 maanden wordt er meestal gestart met het geven van vast voedsel (koekjes, soepstengels, rijstwafels, broodkorstjes of brood). Ook hierbij geldt weer dat kinderen dat moeten leren: ze moeten het stukje naar de zijkant in hun mond brengen, er op kauwen en het daarna doorslikken.

Er zijn kinderen die de stukjes niet goed naar de zijkant van hun mond kunnen brengen, het zo proberen door te slikken en dan gaan kokhalzen. Dat kan er vervelend uit zien en meestal schrikken ouders er van. Het is dan gemakkelijker om het voedsel aan de zijkant in de mond aangeboden te krijgen:

Sanne met vinger in mond

 

 

 

Het kind kan dan meteen gaan kauwen en doordat de tong naar het eten “op zoek” gaat leert de tong de beweging naar de zijkant maken. Het is dan ook handig om te beginnen met iets dat snel zacht wordt (bijvoorbeeld Liga). Als dit niet helpt kan het zinvol zijn om een preverbaal logopedist in te schakelen om het kauwen verder te oefenen. Bij kinderen die veel ziek zijn geweest in de eerste maanden, prematuur (te vroeg) geboren zijn of een vertraagde of afwijkende ontwikkeling doormaken, kan het kauwen problemen opleveren.

Bij te vroeg geboren kinderen wordt bij het aanbieden van een volgende stap in de ontwikkeling (zoals eten van de lepel, kauwen van vast voedsel of het drinken uit een beker) meestal uitgegaan van de ‘gecorrigeerde’ leeftijd. Dat wil zeggen dat er gerekend wordt ongeveer vanaf het moment dat het kind geboren zou zijn. Vooral bij het aanbieden van koekjes of brood is dat belangrijk. Er wordt anders misschien te vroeg begonnen, waardoor het extra moeilijk is voor een kind.

Problemen bij het drinken uit een beker

Het tijdstip waarop gestart wordt met het drinken uit een beker is wisselend en afhankelijk van allerlei factoren (nog veel uit borst of fles drinken, wel of niet graag drinken, voorbeeld van andere kinderen in gezin of dagverblijf, motorische ontwikkeling). De start ligt gemiddeld tussen de 8 en 14 maanden. Er zijn verschillende mogelijkheden om het drinken uit een beker aan te bieden. Klik hier voor Tuitbeker of gewone beker?

De problemen bij het drinken uit een beker kunnen heel verschillend zijn. Er zijn kinderen die zich veel verslikken. Bij deze kinderen is het handig om dan eens te starten met het geven van vla of yoghurt uit een beker. Dat stroomt wat langzamer en het kind krijgt meer de kans om de vloeistof rustig weg te slikken. Er zijn ook kinderen die het drinken uit een gewone beker niet fijn vinden, maar wel goed uit een tuitbeker drinken. Blijkbaar vinden zij het zuigen nog prettig. Leer ze aan een gewone beker wennen door zo nu en dan een klein beetje drinken uit een open beker te geven.

Ook zijn er kinderen die wel uit een gewone beker kunnen drinken als ze geholpen worden, maar het niet zelf kunnen. Dan hebben ze nog moeite met het coördineren van de beweging met de handen, het op tijd openen en sluiten van de mond en het doseren van de vloeistof. De meeste kinderen leren dit rond de leeftijd van anderhalf jaar.

Er zijn ook kinderen waarbij de tong ver buiten de mond komt bij het drinken uit een (tuit)beker of die de tong in de beker leggen. Dit gaat allebei met veel knoeien gepaard. Als het niet lukt om dit te veranderen of als het drinken uit een beker toch veel problemen blijft opleveren, kan het zinvol zijn om een keer advies te vragen aan een logopedist.

Kwijlen

Bijna alle kinderen hebben gedurende de eerste levensjaren momenten waarop ze kwijlen. Meestal doen ze dit in periodes waarin ze andere motorische activiteiten aan het leren zijn, zoals omrollen, gaan zitten, gaan staan en leren lopen en rennen.

Ook wanneer kinderen verkouden zijn en ze niet goed door de neus kunnen ademen kwijlen ze soms meer, omdat hun mond meer geopend is. Dit zijn allemaal normale verschijnselen in de ontwikkeling. Soms duren de periodes van kwijlen langer en kan het zijn dat ouders zich zorgen maken. Meestal gaat het kwijlen vanzelf over als het kind alle ‘moeilijke’ motoriek beheerst. Soms blijft het kwijlen echter bestaan. De preverbaal logopedist kan inventariseren op welke momenten het kwijlen voorkomt, wat beïnvloedende factoren zijn en hoe het aangepakt kan worden.

Sanne kwijlen

 

 

 

 

….. als je iets moeilijks doet, ga je eerder kwijlen …

Bij kinderen met een vertraagde ontwikkeling, kinderen met motorische problemen of kinderen met aangeboren afwijkingen in het mond- en/of keelgebied kan kwijlen vaker voorkomen. Kwijlen heeft dan vaak andere oorzaken en zal meestal door de logopedist (soms met hulp van andere deskundigen) behandeld worden. In het Radboudumc (Nijmegen) en in het Universitair Ziekenhuis Groningen zijn speciale  ‘multidisciplinaire teams’, waar kinderen met complexe problemen rond speekselverlies behandeld kunnen worden.